Stoelklokken van Ter Swaek en Bakker


Inleiding
De stoelklokken van de klokkenmakers Antoni ter Swaek en Carol Willem Bakker uit het Twentse Goor heeft al menig schrijver van klokkenboeken bezig gehouden. Een echt overtuigend verhaal met de specifieke kenmerken van de verschillende makers is er, mijns inziens, tot op heden nog niet. Dit stuk doet daar een hernieuwde poging toe in de wetenschap dat echte harde bewijzen gewoonweg ontbreken.
Wellicht is het goed om eerst even het geheugen op te frissen betreffende ter Swaek en Bakker.
Antoni ter Swaek (1692-1772) wordt voor het eerst in 1721 genoemd als uurwerkmaker te Goor, hij trouwde in dat jaar met de dochter van klokkenmaker en burgemeester Joan Spraekel. Joan Spraekel was weer een telg uit de familie Spraekel bekend van torenuurwerken en huisuurwerken. Waarschijnlijk is de vader van Joan, Jurriaan Spraekel, die in de 17e eeuw grote faam verkreeg met het maken van torenuurwerken met speelwerk in samenwerking met de gebroeders Hemony, hiervan de bekendste. Verschillende bronnen melden dat ter Swaek het vak van uurwerkmaker heeft geleerd bij Joan Spraekel. Ter Swaek is, voor zover bekend, één van de eerste uurwerkmakers die in de Oost-Nederlandse stoelklokken de ankergang heeft toegepast.
Carol Willem Bakker (1726-1806) was de zoon van Helena, de oudere zus van Anthonie ter Swaek. De ‘volkstelling Goor 1748’ meldt Bakker als ‘domistique’ (behorend tot het huishouden) van Anthonie ter Swaek. Dit maakt het aannemelijk dat Bakker in de leer geweest is bij ter Swaek. Bakker is later als uurwerkmaker, ook in Goor actief geweest en heeft de bouwwijze van stoelklokken met een ankergang na ter Swaek voortgezet.
De klokken van beide makers zijn al sinds jaar en dag zeer gewilde verzamelobjecten en worden maar sporadisch te koop aangeboden. Het is dan ook logisch dat een goede stoelklok van ter Swaek of Bakker een kostbaar object is.

Twentse economie
Voor de klokken ter sprake komen, eerst een toelichting betreffende de economische achtergrond van Twente. De economische situatie in Twente in de 18e eeuw was niet al te best. Zeker in de eerste helft  van de 18e eeuw was met name Twente een arm gebied t.o.v. de nabij gelegen steden aan de IJssel. Het gemiddelde inkomen op het Twentse platteland in 1750 was 25 Caroli-gulden per hoofd per jaar. Ter vergelijking; het inkomen in de steden langs de IJssel in 1750 was 66 Caroli-gulden per hoofd per jaar. Hier moet wel bij opgemerkt worden dat de inkomensongelijkheid op het Twentse platteland in vergelijking met de steden een stuk kleiner was.
In de tweede helft van de 18e eeuw steeg de welvaart op het Twentse platteland aanzienlijk, Twente was zelfs de streek met verreweg de meeste economische groei in Nederland in zowel de 18e als de 19e eeuw. Het gemiddelde inkomen was in 1808 gestegen naar 66 Caroli-gulden per hoofd per jaar (in de steden was dit gestegen naar 117 Caroli-gulden). De kloof met de stad werd hiermee een stuk kleiner. Hier moet bij vermeld worden dat de inkomensongelijkheid in Twente in die periode ook flink was toegenomen.
De afzetmarkt voor zowel ter Swaek als Bakker zal voor het grootste deel uit de wat meer bemiddelde mensen in en om Goor hebben bestaan. Stoelklokken waren niet het statussymbool waar de echt rijken graag mee pronkten maar werden mogelijk wel gebruikt in de vertrekken van de bedienden. Helaas weten we niet wat een Oost-Nederlandse stoelklok in de 18 eeuw heeft gekost maar ter vergelijking; een Friese stoelklok in het midden van de 18e eeuw koste ongeveer 15 gulden. De prijs van een eenvoudig huis was in die tijd ongeveer 200 Caroli-gulden. Het hoeft verder geen betoog dat een stoelklok voor de gewone man een flinke investering was.

Referentieklokken
De enige manier om een zuiver beeld te krijgen van de stoelklokken van ter Swaek en Bakker is om te kijken naar de klokken die met redelijke zekerheid kunnen worden toegeschreven aan één van deze makers. Voor deze exercitie houdt deze redelijke zekerheid in dat de signatuur van de klok aantoonbaar onder moderne beschildering aanwezig was of aantoonbaar origineel is. Het is helaas zo dat een deel van de signaturen op de gevonden stoelklokken met een korrel zout genomen moet worden.
Een kanttekening hierbij is echter nog wel het feit dat de wijzerplaat theoretisch gezien niet bij het uurwerk zou kunnen behoren, en het uurwerk niet bij de kast, maar hier gaan we in dit artikel niet vanuit.
Er zijn bij de schrijver in totaal 26 gesigneerde stoelklokken van beide makers bekend waarvan er 14 de signatuur van ter Swaek dragen en 12 de signatuur van Bakker. Naast deze 26 klokken is er nog één stoelklok die zowel door ter Swaek als door Bakker is gesigneerd (hierover later meer).

Van al deze gesigneerde klokken zijn er maar 2 stoelklokken met ter Swaek signatuur en 1 met Bakker signatuur die volgens bovengeschetste methode als ‘betrouwbaar‘ kunnen worden gezien. Deze klokken zullen in dit artikel worden beschouwd als referentieklokken.
Het geringe aantal klokken dat voor referentieklok in aanmerking komt, wordt mede veroorzaakt door gebrek aan informatie en zegt niet per definitie iets over originaliteit van de overige klokken.
Er zijn overigens ook nog 9 stoelklokken bekend die aan ter Swaek of Bakker toegeschreven kunnen worden maar die niet gesigneerd zijn.

Afbeelding 2
Afbeelding 1





























Determinatie
Referentieklok 1 van Anthoni ter Swaek wordt uitgebreid behandeld in het boek “Röntgen Atlas of Old Dutch Clocks van T. de Roo (pagina 149 t/m 155). Hier wordt de restauratie van een stoelklok van ter Swaek beschreven (zie afbeelding 1 & 2). Onder de huidige beschildering van de klok blijkt een nagenoeg identieke beschildering te zitten. Dit wordt met röntgenfoto’s ontdekt. De klok is gesigneerd “ANTONI•TER•SWAEK•A•GOOR•1740”.
De tweede referentieklok van ter Swaek wordt in een tweetal boeken van Herman Bossink beschreven (zie afbeelding 3 & 4). In “Nederlandse Stoelklokken” wordt op pagina 146 en 147 beschreven hoe een oude beschildering onder nieuwere lagen tevoorschijn komt. De gevonden signatuur luidt “ANTONI•TER•SWAEK•A•GOOR•1743”. In het deel “Uurwerkmakerskunst in Nederland 1670-1920” is de klok in gerestaureerde staat te zien.

Afbeelding 3 
Afbeelding 4





























Een derde klok mag hier niet onbesproken blijven, het betreft een stoelklok die in 1972 gerestaureerd is door Melgert Spaander en waar tijdens de restauratie op het loodwerk onder dikke lagen verguldsel het monogram ATS (Anthoni ter Swaek) werd aangetroffen. Het monogram is verdiept in het lood aangebracht en op alle drie de loodstukken die aan het uurwerk zitten aanwezig. De klok wordt in dit artikel niet als referentieklok meegenomen maar bezit wel alle kenmerken die de andere 2 referentieklokken van ter Swaek ook hebben.

Opvallende uiterlijke kenmerken van de twee referentieklokken zijn de kastvorm met zijn opengewerkte zijwangen en staartstuk en het uurwerk met zijn vierkante ijzeren stellingpoten. Het gebruik van ijzeren stellingpoten lijkt een logisch gevolg op de voortzetting van de stijl die Joan Spraekel (die waarschijnlijk ook smid was) hanteerde en mogelijk speelde de kostprijs van het goedkopere ijzer t.o.v. messing in die vroege periode ook nog een rol. Ander opvallend kenmerk is de ankeras die aan de voorzijde gelagerd is in de beugel die het wekkerwerk omsluit. Het uurwerkplankje van deze klokken is doorgaans iets groter dan de bodemplaat van het uurwerk en heeft geprofileerde zijkanten.
Zowel de vorm van de kasten als de beschildering van de wijzerplaten tonen bij beide klokken grote overeenkomsten. Vreemd genoeg oogt de tweede klok vroeger, dit komt door zowel de Gotische cijferring als het uurwerk. De vorm van de stellingpoten doen aan die van een torenuurwerk denken.

Afbeelding 5
Afbeelding 6






























De referentieklok van Bakker wordt afgebeeld en besproken in Dutch Antique Domestic Clocks van J.L. Sellink (pagina 194 t/m 197), zie afbeelding 5 & 6. Sellink beschrijft de signatuur als “absoluut authentiek” en gezien de staat van de wijzerplaat, lijkt het aannemelijk dat we hier inderdaad met een authentieke signatuur te maken hebben. Op de wijzerplaat is nog vaag de signatuur “C.W.BAKKER A GOOR 1776” te lezen. Ten opzichte van de 2 ter Swaek klokken valt bij deze klok op dat de zijwangen en het staartstuk niet opengewerkt zijn en dat zowel de wijzerplaat als de kast beschilderd is met roosjes en witte bloemen. De stellingpoten van het uurwerk zijn rond, van messing en hebben een uitgesproken vorm die we niet bij andere stoelklokken tegenkomen. De ankeras loopt bij deze klok helemaal door en is gelagerd in de voorstijl, de aparte voorslaglichter van het slagwerk is in deze klok niet aanwezig. Ook zien we dat het uurwerkplankje kleiner is vergeleken bij de ter Swaek klokken. Het heeft dezelfde afmetingen als de bodemplaat van het uurwerk en is aan de zijkanten voorzien van loodstrippen. De loodornamenten aan beide zijden van de wijzerplaat zouden ook best origineel kunnen zijn. Als laatste zien we dat de kap van kast een toevoeging heeft in de vorm van een klein kuifje.

Extrapolatie
Tot zover de determinatie van de 3 referentieklokken. Omdat het aantal van 3 klokken met maker-specifieke kenmerken nogal mager is om een theorie op te baseren, is een volgende schifting van de overige gesigneerde klokken noodzakelijk. Van deze overige gesigneerde klokken worden de klokken met een duidelijke latere beschildering (en dus signatuur) of latere kast niet in de lijst opgenomen, ook klokken die niet goed beoordeeld kunnen worden komen niet in deze lijst voor. Opgemerkt moeten worden dat van de 8 toegevoegde klokken bij mij geen zekerheid bestaat over de originaliteit van de signatuur van deze klokken.
Dit resulteert in een lijst van totaal 11 klokken welke weergegeven zijn in de tabel hieronder. Zes van de klokken zijn gesigneerd met ter Swaek, 4 met Bakker en 1 met zowel ter Swaek als Bakker.

Nr.
Signatuur
Kast
Uurwerk
Maker
Datering
Zijwangen
Kuif
Uurwerkplank
Stellingpoten
Ankeras lagering
Voorslag lichting
1
Ter Swaek
1740
Open
Nee
Groot
IJzer
Wekkerbeugel
Ja
2
Ter Swaek
1740
Open
Nee
Groot
IJzer
Wekkerbeugel
Ja
3
Ter Swaek
1742
Open
Ja
Groot
IJzer
Wekkerbeugel
Ja
4
Ter Swaek
1743
Open
Nee
Groot
IJzer
Wekkerbeugel
Ja
5
Ter Swaek
1746
Open
Nee
Groot
IJzer
Wekkerbeugel
Ja
6
Ter Swaek-Bakker
1748
Dicht
Ja
Passend
Messing
?
Ja
7
Ter Swaek
1753
Dicht
Ja
Passend
Messing
Voorstijl
Ja
8
Bakker
1770
Dicht
Ja
Passend
Messing
?
?
9
Bakker
1776
Dicht
Ja
Passend
Messing
Voorstijl
Nee
10
Bakker
1785
Open
Ja
Groot
IJzer
Voorstijl
Ja
11
Bakker
1791
Dicht
Ja
Passend
Messing
Voorstijl
ja

Een afbeelding van alle 11 klokken op een rij is te zien in afbeelding 7.

Afbeelding 7

Interessant aan de tabel is dat er duidelijk onderscheid te maken is tussen de kenmerken van de vroegere klokken die allemaal met ter Swaek gesigneerd zijn en de latere klokken waarvan het grootste deel met Bakker gesigneerd is. En niet onbelangrijk is dat deze kenmerken overeenkomen met die van de referentieklokken. Opvallend is verder dat, volgens de lijst, er geen klokken bekend zijn tussen 1753 en 1770 een periode van 17 jaar. Voor een grafiek van de klokken uitgezet tegen de tijd, verwijs ik u naar afbeelding 8.
Van de 11 klokken zijn er slechts 2 die uit de toon springen; de ter Swaek gesigneerde klok met datering 1753 (Nr.7) en de Bakker gesigneerde klok met datering 1785 (Nr.10). Met name de laatste klok (afgebeeld in ‘Wijzers uit het Oosten” No.12) is een vreemde eend in de bijt met een afwijkende kast en uurwerk. Maar omdat de klok ook niet echt op de ter Swaek klokken lijkt, laten we de klok verder buiten beschouwing.

Afbeelding 8
Kast
De klokkasten van ter Swaek en Bakker zijn altijd gemaakt van eikenhout en het dragende deel van de kast (de console waar de stoel met het uurwerk op staat) is met de achterplank verbonden door middel van pen-gat verbindingen. Bij Friese stoelklokken is dit dragende deel meestal gespijkerd aan de achterplank.
De zijwangen van de kast zijn altijd losse stukken die met gesmede spijkers aan de achterplank bevestigd zijn.
Wanneer we het uiterlijk van de klokkasten bekijken zien we dat vrijwel alle kasten van de ter Swaek klokken opengewerkte zijwangen en staartstuk hebben en vrijwel nooit een kuifje op de kap. Dit in tegenstelling tot de Bakkerklokken die dichte zijwangen en staartstuk hebben waarbij het kuifje op de kap veelvuldig voorkomt. Net als bij het uurwerk zien we een verandering plaats vinden in het uurwerkplankje; is het bij Ter Swaek nog standaard overmaats ten opzichte van het uurwerk en met geprofileerde zijkanten, bij Bakker zien we het veranderen naar passend met de toevoeging van loodstrippen aan de zijkanten.
De kasten van de ter Swaek klokken zijn meestal in een effen kleur geschilderd met mogelijk een lijn als decoratie langs de randen van de kast. De kasten van de Bakker klokken hebben in tegenstelling tot die van ter Swaek een decoratieve beschildering die meestal bestaat uit roosjes en witte bloemetjes die ook op de wijzerplaat te vinden zijn. Vaak is de beschildering van de achterplank nog opgevuld met bladranken. Een detail in de beschildering is nog dat soms een tulp in het midden van het staartstuk geschilderd is, deze geschilderde tulp is op meerdere klokken van Bakker te vinden (hierover later meer).

Wijzerplaat
De wijzerplaten van beide makers zijn altijd gemaakt van ijzer en zijn beschilderd aan de voorzijde. De wijzerplaten hebben altijd een relatief groot gat voor het wijzerwerk, dit is nodig omdat het warteltje dat in de uurwijzer geschroefd zit, met de uurwijzer rond draait en door de wijzerplaat heen de wekkerrem moet kunnen lichten.
De wijzerplaat heeft aan de bovenzijde een ijzeren aangeklonken lip die boven de wijzerplaat uitsteekt. In tegenstelling tot bij Friese stoelklokken is het loodstuk aan de bovenzijde van de wijzerplaat niet vastgeklonken maar met 1 schroef vastgezet aan de aangeklonken lip. De wijzerplaten van latere Bakker klokken hebben soms ook nog loodornamenten aan de beide zijden van de wijzerplaat.
De Wijzerplaten van de ter Swaek klokken hebben meestal een beschildering die bestaat uit slanke bladranken die om de cijferring zijn geschilderd, binnen de cijferring is geen decoratie aanwezig (zie hiervoor afbeelding 1 en 3). De signatuur kan zowel boven als onder cijferring aangetroffen worden.
De wijzerplaten van de Bakker klokken hebben meestal buiten de cijferring 2 roosjes in de bovenhoeken met een wit bloemetje daartussen en twee witte bloemetjes in de onderste hoeken, de bloemetjes zijn verbonden door bladranken. Evenals bij ter Swaek is binnen de cijferring geen decoratie aanwezig (zie afbeelding 5) en vaak is de wijzerplaat binnen de cijferring rood van kleur.
Bij Bakker is de signatuur meestal onder de cijferring geplaatst.

Wijzers
Over de wijzers van de klokken is te zeggen dat bij ter Swaek meerdere wijzertypen voor lijken te komen terwijl op de klokken van Bakker eigenlijk altijd hetzelfde model aangetroffen wordt. Bij een aantal klokken van ter Swaek zien we nog een ijzeren beschilderde wekkerschijf waar de uurwijzer opgeklonken is. Het merendeel heeft echter een uurwijzer met wekkerschijf uit 1 stuk, de grootte van de wekkerschijf lijkt in de loop van de 18e eeuw af te nemen.
Verreweg het grootste aantal van de ter Swaek klokken heeft de wijzercombinatie die op de Bakker-klokken vrijwel altijd aangetroffen wordt; de uurwijzer is van messing en heeft een gelobde staart en een punt in de vorm van een hart. De wekkerschijf, die onderdeel is van de uurwijzer, heeft gaatjes die schroefdraad hebben. De minuutwijzer is altijd van ijzer en is vaak mooi afgewerkt (zie afbeelding 9), uiteraard heeft de minuutwijzer een boogje om het warteltje van de wekkerschijf te kunnen passeren. De minuutwijzer was waarschijnlijk van ijzer omdat deze extra sterk moest zijn om het verzetten van de wijzer beter te kunnen weerstaan. Met name het boogje van de minuutwijzer komt de sterkte van de wijzer niet ten goede.

Afbeelding 9

Vreemd genoeg zijn de gaatjes in de wekkerschijven vrijwel bij geen enkele klok genummerd. De wijzer in afbeelding 9 laat duidelijk resten van vergulding zien, ook bij de messing uurwijzer zijn resten van vergulding aanwezig. Beide wijzers waren dus waarschijnlijk vroeger verguld hetgeen de zichtbaarheid van de minuutwijzer op de wijzerplaat ten goede komt. De uurwijzer werd waarschijnlijk nadat deze verguld was ook voorzien van beschilderde nummers op de wekkerschijf.

Het uurwerk
De uurwerken van zowel ter Swaek als Bakker zijn typisch Oost Nederlands met de bijbehorende kenmerken;
  • Uurwerk heeft een ankergang
  • Het slagwerk heeft meestal een aparte voorslaglichter waarbij de lichters altijd van ijzer zijn.
  • Het uurrad en de sluitschijf zijn van ijzer.
  • Fraai gebogen veer die de invallichter van het slagwerk onder spanning houdt.
  • Omhoog staande gaffel om hogere slingerophanging te verkrijgen.
  • De slingerlens is een los onderdeel en wordt aan de slingerstaaf gehangen.
  • De windvleugel draait in zijsteunen die aan de uurwerkstijlen vastzitten met zwaluwstaarten.
  • Fraaie details zoals de bewerkte uiteinden van de armpjes aan de dwarsliggers en hamerassen (zie afbeelding 10).

Afbeelding 10

De uurwerken van ter Swaek en Bakker hebben vaak dezelfde tandaantallen zowel in het gaand werk als het slagwerk. De 8 uurwerken waar de tandaantallen van geteld zijn hebben exact dezelfde tandaantallen voor het gaand werk. Het slagwerk wijkt soms iets af in tandaantallen maar de meest voorkomende combinatie is weergegeven in Afbeelding 11.
De uurwerken hebben een iets langere looptijd dan 12 uur (tussen de 12 en 24 uur) maar dit is afhankelijk van hoe hoog de klok opgehangen wordt, of de ketting (of koord) lang genoeg is en of de klok dubbel slagwerk heeft of niet. De klok beschreven in Tijdschrift 17-1 haalt de 24 uur als de klok op 235cm hoogte opgehangen wordt. Het gewicht van de Oost-Nederlandse klokken is doorgaans cilindrisch (niet conisch) van vorm met diepe groeven en is wat zwaarder dan de Friese klokgewichten (4 tot 4,5 kg).

Afbeelding 11

Zoals al besproken komen er uurwerken voor met vierkante ijzeren stellingpoten en ronde messing stellingpoten, beide typen stellingpoten zijn taps van vorm en worden naar de bovenzijde toe slanker. De basementen van beide stellingpoten zijn totaal verschillend; bij ter Swaek is er alleen een basement aan de onderzijde van de stellingpoten. Deze basementen zijn losse vierkant delen en hebben een fraaie getrapte vorm, aan de bovenzijde is geen basement aanwezig. Bij de Bakkerklokken is aan beide uiteinden van de stellingpoten een rond basement aanwezig. Daar de stellingpoten taps van vorm zijn, is het basement aan de onderzijde groter dat die aan de bovenzijde.
De uurwerken met ijzeren stellingpoten zijn doorgaans wat breder van formaat en hebben een dikkere bodemplaat dan de uurwerken met messing stellingpoten van Bakker. Wat verder opvalt is dat bij de ter Swaek klokken de dwarsliggers en de hameras vrijwel altijd van ijzer zijn en een vierkante vorm hebben, daarnaast is soms de windvleugel ook geheel van ijzer. Bij de vroegere Bakkerklokken zien we bij een aantal klokken nog de dwarsliggers en hameras van ijzer maar bij een groter aantal worden deze in messing uitgevoerd en zijn ze rond geprofileerd van vorm.

Afbeelding 12
Ontwikkeling van het uurwerk
Bij de uurwerken met ijzeren stellingpoten is nauwelijks ontwikkeling te zien, ze blijven de gehele periode vrijwel onveranderd. De overgang van de uurwerken met veel ijzer naar bijna complete messing uurwerken is waarschijnlijk niet ineens gegaan. Er is een duidelijke ontwikkeling te zien in de uurwerken met messing stellingpoten, we zullen deze periode hier voor het gemak de overgangsperiode noemen. Zo komen we uurwerken tegen die wel de typische messing stellingpoten hebben maar waar de dwarsliggers en de hameras nog wel van ijzer en vierkant van vorm zijn. Deze klokken hebben meestal ook de ankeras gelagerd in de beugel van het wekkerwerk. Afbeelding 12 laat een voorbeeld van dergelijk uurwerk zien. De klok van afbeelding 5 heeft zelfs de combinatie van een ijzeren en een messing dwarsligger. Bij de latere uurwerken zijn alle dwarsliggers van messing.  Ook de as van de belhamer, die in eerste instantie van ijzer is en vierkant van vorm, komen we bij latere uurwerken soms in een ronde messing vorm tegen. Er zijn ook een aantal uurwerken waar de verticale hameras niet meer aanwezig is en vervangen wordt door een horizontale hameras die op de zolderplaat gemonteerd is en via een verticale stang in beweging gebracht wordt. Ten slotte maakt ook de aparte voorslaglichting voor het slagwerk plaats voor enkele uitlichting. Mogelijk heeft de toenemende welvaart er voor gezorgd dat het makkelijker bewerkbare maar duurdere messing een logischere keuze was voor het merendeel van de uurwerkonderdelen dan het moeilijker bewerkbare ijzer.

Van zowel ter Swaek als Bakker zijn er uurwerken met dubbel slagwerk bekend. Bij ter Swaek met 2 aan weerszijde van het uurwerk geplaatste verticale vierkante ijzeren hamerassen en bij Bakker meestal een ronde verticale messing hameras voor de uurslag en een horizontale messing hameras met een verticale stang voor de halfuurslag. 

Chronologische kenmerken
Alle beschreven constateringen leveren een aantal kenmerken op die chronologisch in te delen zijn. Deze kenmerken zijn hieronder in een tabel op een rij gezet:

Kenmerk
Ter Swaek
Overgangsperiode
Bakker
Datering
1721-1750
1750-1770
1770-1795
Kast met open zijwangen en staartstuk
X


Kast zonder kuifje aan de kap
X


Kast met nauwelijks tot geen decoratieve beschildering
X


Overmaats uurwerkplankje
X
X

Wijzerplaat beschildering met bladranken
X


IJzeren stellingpoten
X


IJzeren dwarsliggers
X
X

Lagering ankeras in wekkerbeugel
X
X

Verticale ijzeren hameras
X
X

Kast met dichte zijwangen en staartstuk

X
X
Kast met kuifje aan de kap

X
X
Kast met beschildering van roosjes en bloemen

X
X
Passend uurwerkplankje met loodstrippen


X
Wijzerplaat beschildering met bloemetjes

X
X
Messing stellingpoten

X
X
Messing dwarsliggers

X
X
Lagering ankeras in voorstijl


X
Verticale messing hameras


X
Horizontale messing hameras


X
Loodornamenten aan de zijkanten van de wijzerplaat


X

De tabel onderscheid drie typen klok:
  • De klokken gemaakt door ter Swaek 1721-1750
  • De klokken uit de overgangsperiode 1750-1770
  • De klokken gemaakt door Bakker 1770-1795

De klokken uit de overgangsperiode hebben kenmerken van zowel ter Swaek als Bakker maar de meeste kenmerken komen overeen met de klokken van Bakker, met name de uiterlijke kenmerken. Mijns inziens is er geen ‘ter Swaek’ gesigneerde klok van na 1750 bekend die qua signatuur geloofwaardig is. De vroegst gesigneerde Bakker klok is gedateerd 1770 (zie hieronder).

Opvallende gelijkenis
Uiteraard zijn er naast de getoonde 11 klokken nog een aantal klokken die hier niet besproken zijn maar die wel door ter Swaek of Bakker vervaardigd zijn. Een opvallende overeenkomst tussen drie klokken mag hier niet onbesproken blijven. De afbeeldingen 5, 13 en 14 laten drie klokken zien die op de stoel en de wijzerplaat exact dezelfde beschildering hebben. Let ook op het tulpje dat op het staartstuk geschilderd is.
De uurwerken van deze 3 klokken hebben allemaal dezelfde messing stellingpoten maar laten echter wel verschillen zien.
De drie klokken in het kort:
  • Afbeelding 5: de referentieklok van Bakker (1776) waarvan vrijwel zeker is dat de beschildering op de wijzerplaat origineel is.
  • Afbeelding 13: klok waarvan de beschildering van de kast origineel lijkt en ook de wijzerplaat met signatuur Bakker en jaartal 1770 er goed uitziet. Helaas is er weinig over het uurwerk bekend.
  • Afbeelding 14: Klok uit de overgangsperiode (uurwerk Afbeelding 12) zonder signatuur waarvan de beschildering van de kast aantoonbaar origineel is en waarvan oudere resten van beschildering laten zien dat de wijzerplaat beschildering vergelijkbaar is geweest met die van de andere twee klokken (zie artikel Tijdschrift 17-1, pagina 8-11).

Afbeelding 13
Afbeelding 14





























Deze drie klokken suggereren dat er in de productie van Bakker gedurende een langere periode een standaard in de klokkasten en hun beschildering lijkt te hebben bestaan. Dit zelfde geldt voor de beschildering van de wijzerplaten. Hierbij moet opgemerkt worden dat de productie van de kasten en de beschildering van de klok waarschijnlijk werd uitbesteedt en dus niet door de klokkenmaker werd uitgevoerd.
Maar aangezien de kenmerken van de klok uit Afbeelding 14 aanzienlijk vroeger gedateerd kunnen worden dan de klok uit afbeelding 5 lijkt het aannemelijk dat Bakker, qua beschildering van zijn klokken, een soort van huisstijl hanteerde.
De klok weergegeven in Afbeelding 14 is met name interessant omdat de grote gelijkenis met de andere twee klokken (afbeelding 5 en 12) doet vermoeden dat deze klok door Bakker gemaakt is. En aangezien deze klok bijna alle kenmerken uit de overgangsperiode bezit, zou dit er voor pleiten dat Bakker stoelklokken in deze periode gemaakt heeft en hij de maker is van de klokken uit deze periode. Helaas is er op de onderliggende beschildering van de klok geen signatuur met datering gevonden waardoor sluitend bewijs hiervoor ontbreekt.

Resumerend
Antoni ter Swaek begon rond 1721 te Goor als uurwerkmaker, hij was toen 29 jaar oud. In het jaar 1730 betrok ter Swaek een nieuwe werkplaats te Goor. Waarschijnlijk is Carol Willem Bakker als jonge jongen, rond het jaar 1740,  bij zijn oom in de leer gegaan. De laatst besproken klok die gesigneerd is met ter Swaek vermeld het jaartal 1753, hij was toen 61 jaar oud. Vreemd genoeg heeft deze klok alle kenmerken van Bakker zijn latere klokken en lijkt in het geheel niet op de overige hier besproken klokken van ter Swaek. Volgens de hier gepresenteerde theorie is het dan ook waarschijnlijker dat Bakker de maker van deze klok is en de signatuur en datering op de wijzerplaat niet juist is.
Dit wordt ondersteund door het feit dat Antoni’s zoon Hermanus de uurwerkmakerij van zijn vader voortgezet heeft. Hermanus wordt in de ‘volkstelling Goor 1748’ al vermeld als ‘zijnde kinderen over de tyn jaren’, hetgeen meer dan klopt want Hermanus was toen al  25 jaar oud. Gezien zijn leeftijd en het feit dat hij inwonend was bij zijn vader lijkt het aannemelijk dat Hermanus toen al bij zijn vader in dienst was en misschien al wel de zaken overgenomen had. Er zijn maar 2 gesigneerde stoelklokken van Hermanus bekend, gedateerd 1755 en 1767. Van de eerste hebben zowel de kast als uurwerk dezelfde kenmerken als de klokken van zijn vader Antoni en lijkt derhalve in het geheel niet op de klokken van Bakker. De tweede, gedateerd 1767, lijkt qua uiterlijk wel (geen foto’s van het uurwerk) op de klokken van Bakker. Hermanus heeft in 1781 de werkplaats van de familie ter Swaek verkocht.

In dit licht gezien is de klok die gesigneerd is door zowel ter Swaek als Bakker en gedateerd is 1748 opmerkelijk (zie Afbeelding 15). Van deze interessante klok is maar 1 foto van het uurwerk beschikbaar, maar te zien is dat ook deze klok vrijwel alle kenmerken bezit van de latere klokken die door Bakker gesigneerd zijn. Als de signatuur juist is, verondersteld de klok dat Bakker in 1748 het vak al goed in de vingers had en waarschijnlijk zelfstandig klokken kon vervaardigen, Bakker was toen 21 of 22 jaar oud. Een mogelijke verklaring is dat de klok een soort van meesterproef geweest is en het einde van zijn leertijd bij ter Swaek betekende, maar dit lijkt wat vergezocht. Ook van deze klok moet wederom vermeld worden dat de originaliteit van de signatuur van de klok mij niet bekend is.
In verschillende klokkenboeken wordt gesuggereerd dat ter Antoni ter Swaek en Carol Willem Bakker samengewerkt zouden hebben. Alhoewel dit niet onmogelijk is, ondersteund de datering op de bekende klokken en de beschikbare historische bronnen deze suggestie niet. Het is mogelijk dat Bakker als werknemer bij ter Swaek in dienst is gebleven, echter blijkt uit de in deel 1 getoonde tabel dat er tussen 1753 en 1770 geen gesigneerde klokken van Bakker of Antoni ter Swaek meer bekend zijn. Dit kan meerdere redenen hebben:
  • Er zijn toevallig geen klokken uit deze periode overgebleven of bekend.
  • Zowel ter Swaek als Bakker zijn na 1753 tot ongeveer 1770 minder of niet actief geweest als uurwerkmakers.
  • Hermanus ter Swaek heeft na 1753 de uurwerkmakerij van zijn vader overgenomen (met of zonder Bakker). Er twee stoelklokken gesigneerd door Hermanus uit 1755 en 1767.
  • Een aantal van de gesigneerde klokken heeft een verzonnen signatuur en een niet kloppende datering maar is wel degelijk in deze periode vervaardigt.

Van de alleen door Bakker gesigneerde klokken is de vroegste gedateerd 1770 en de laatste 1791. Klokken van latere datum zijn niet bij mij bekend. Carol Willem Bakker trouwt op 30-12-1763 op 37-jarige leeftijd en is dan inmiddels eigenaar van zijn ouderlijk huis te Goor, waarin ooit de oude werkplaats van Antoni ter Swaek gevestigd was. Het lijkt aannemelijk dat Bakker pas vanaf die datum als zelfstandig uurwerkmaker actief is en voor die tijd in dienst is geweest bij een andere uurwerkmaker (mogelijk bij de familie ter Swaek). Tot die tijd heeft Bakker waarschijnlijk geen klokken gesigneerd. De datering op de klokken suggereert dat Bakker rond 65 jarige leeftijd met de klokkenproductie is gestopt. Bakker had 2 zonen die op enige tijd het ambt van uurwerkmaker hebben uitgeoefend, mogelijk hebben zij de activiteiten van hun vader aan het einde van de 18e eeuw overgenomen.

Conclusie
Samenvattend toont dit artikel, volgens ondergetekende, aan dat er een chronologische lijn te ontdekken valt in de Goorse klokken die gemaakt zijn door Antoni ter Swaek en Carol Willem Bakker. Het verschil tussen de vroegere klokken van ter Swaek en de late klokken van Bakker is overduidelijk. De in het artikel genoemde overgangsperiode lijkt toch vooral een periode van ontwikkeling in de klokken gemaakt door Bakker te zijn. Ondanks het feit dat niet één klok uit de genoemde overgangsperiode door Ter Swaek of Bakker gesigneerd is, lijkt het toch aannemelijk dat Bakker de maker van deze klokken is.
Het is zeker niet ondenkbaar dat de signatuur van een aantal van de gesigneerde klokken van ter Swaek of Bakker niet origineel maar latere verzinsels zijn die er tijdens een restauratie opgezet is. Dit werd dan uiteraard gedaan naar de meest aansprekende theorie van dat moment over deze twee makers. Het boek “de Nederlandse stoelklok” van Jaap Zeeman, decennia lang het standaardwerk over Nederlandse stoelklokken, beschrijft bijvoorbeeld heel stellig dat klokken met messing stellingpoten door ter Swaek zijn gemaakt en Bakker ijzeren stellingpoten gebruikte. Het ligt dus voor de hand dat er nu Bakker Klokken bestaan met een Ter Swaek signatuur en andersom. Latere literatuur over ter Swaek en Bakker klokken wordt al iets genuanceerder over deze tweedeling.
Om de conclusie te visualiseren is in Afbeelding 16 weergegeven hoe volgens de hier gestelde theorie een ter Swaek klok en een Bakker klok er ongeveer uit zou moeten zien. Met hierbij de vermelding dat het uurwerk van de ter Swaek klok vierkante ijzeren stellingpoten heeft en het uurwerk van de Bakker klok ronde messing stellingpoten.

Afbeelding 16

Ik ben me ervan bewust dat er meerdere klokken met de signatuur van ter Swaek of Bakker bestaan die op het eerste gezicht niet passen in de hier gestelde theorie. Of dat aan de klok of de hier beschreven theorie ligt, wil ik graag in het midden laten. Omdat er weinig informatie over deze klokken beschikbaar is of de signatuur op de klok niet overtuigend genoeg is, zijn ze niet meegenomen in de theorie van dit artikel.
Ter volledigheid; naast stoelklokken is er ook nog een enkele staande klok van beide makers bekend. Van ter Swaek bestaan ook nog een wandklok en een torenuurwerk die zijn signatuur dragen.

Met dank aan:
Speciale dank gaat uit naar Henk Kamp die de geschiedkundige feiten over ter Swaek en Bakker aangeleverd heeft.
Oudheidkamer Twente, Het Museum van het Nederlands Uurwerk, Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed, Geert Mouthaan, Melgert Spaander en de verzamelaars voor hun gastvrijheid.

Bronnen en geraadpleegde literatuur
Canon van Goor – Stichting Historisch Goor
Volkstelling Goor 1748 transcriptie - Stichting Genealogische Werkgroep Twente
Industrialisatie en inkomensverdeling in Overijssel, 1750-1875 – J.L. van Zanden
Wijzers uit het Oosten - Museum Nederlandse Uurwerk
Dutch Antique Domestic Clocks - J.L. Sellink
Achterhoekse Klokken en Uurwerkmakers - Sellink, Abbink en Wiggers
Nederlandse stoelklokken – H. Bossink
Oost- Nederlandse klokken – H. Bossink
Uurwerkmakerskunst in Nederland 1670-1920 - H. Bossink
Röntgen Atlas of Old Dutch Clocks - T. de Roo
Uurwerkmakers in Joure - Siet & Lammert de Bruin
Nederlandse Klokken - W.F.J. Hana
De Nederlandse Stoelklok – J. Zeeman
Antieke Nederlandse Klokken - J.W. Voogd
Klokken en klokkenmakers - C. Spierdijk
Het Klokken Lexicon - J. Zeeman
Antiekwijzer, klokken – H. van der Kamp
Wat zijn antieke klokken en barometers waard – Diversen auteurs

Foto verantwoording:
Afbeelding 1 & 15: Antieke Nederlandse Klokken van J.W. Voogd
Afbeelding 2: Röntgen Atlas of Old Dutch Clocks - T. de Roo
Afbeelding 3 & 4: Uurwerkmakerskunst in Nederland 1670-1920 van H. Bossink
Afbeelding 5 & 6: Antique Domestic Clocks van J.L Sellink
Afbeelding 7: Compilatie, diverse bronnen
Afbeelding 13: Mentink & Roest – Ingen
Afbeelding 15: Wijzers uit het Oosten, Museum van het Nederlandse Uurwerk - Zaandam

Meest gelezen

Een Groningse Stoelklok ?

Oost-Friese Stoelklokken

Jan Jacobs, uurwerkmaker te Gorredijk

Een tafelklok van Goslink Ruempol

Stoelklokken zonder wekker

Een provinciaal Amsterdammertje

Tijdsregistratie in het verleden

Ruempol stoelklokken, een analyse

Een Duitse staartklok